Bestuur & Politiek

Belasting op de voetpaden

ARTIKEL 1

Vanaf 1 januari 2016 tot 31 december 2020, wordt een belasting ingevoerd, teneinde de gemeente toe te laten een deel van de kosten terug te krijgen van de vernieuwingswerken aan de voetpaden of gedeelten ervan en hun boordestenen.  Zijn onderworpen aan deze belasting, de eigendommen gelegen langs deze voetpaden of gedeelten ervan of eigendommen die erdoor zijn aangedaan.
De aanslagvoet van deze belasting is vastgesteld op 10 % van de prijs van de werken.

ARTIKEL 2

Het deel van de werken, uitgevoerd in het kader van de verbetering van verkeersveiligheid, evenals de kostprijs van het aanleggen van schikkingen  met dezelfde doelstelling worden niet opgenomen in de berekening van het bedrag van de belasting.

ARTIKEL 3

De belasting, overeenkomende met iedere boordeigenaar wordt berekend in functie van de oppervlakte van het voetpad dat aan de eigendom grenst of de eigendom aandoet.
Wanneer verschillende eigenaars langs eenzelfde stoepgedeelte zijn gelegen is de belasting proportioneel verschuldigd volgens de grondslag qua eigendom van iedere belastingplichtige eigenaar.  Wanneer het of de  eigendommen niet langs het betreffende voetpadgedeelte lopen maar dat ze er wel door bediend worden, bedraagt de verschuldigde belasting voor elkeen 10 % van de prijs van de werken voor de totaliteit van het voetpadgedeelte gedeeld door het aantal aangedane eigendommen

ARTIKEL 4

De belasting is verschuldigd in één betaling, vanaf 1 januari volgend op de voleindiging der werken, vastgesteld door een besluit van het College van Burgemeester en Schepenen.
De inkohiering van de belasting wordt uitgevoerd door het College van Burgemeester en Schepenen in de loop van het tweede semester van het jaar van heffing.

ARTIKEL 5

De belastingplichtige die aantoont, dat de kwijting van de verschuldigde belasting in één enkele schijf financiële problemen zou opleveren kan genieten van betalingsfaciliteiten.

ARTIKEL 6

De  belasting  slaat op het eigendom en is verschuldigd  door  de eigenaar.
Ingeval  er  een recht van opstal, een recht van erfpacht of  een recht  van vruchtgebruik bestaat, is de belasting verschuldigd door de opstalhouder,  de  erfpachter of vruchtgebruiker, terwijl de  eigenaar hoofdelijk mede de belasting verschuldigd is.
Wanneer het eigendom bestaat uit een gebouw met meerdere appartementen waarop de verschillende eigenaars een uitsluitend recht hebben, wordt  de belasting die betrekking heeft op het gebouw, verdeeld onder hen  in  de verhouding van hun respectievelijk aandeel in  de  gemeenschappelijke gedeelten.
Ingeval  van overgang van onroerende zakelijke rechten, wordt  de nieuwe  eigenaar belastingplichtig vanaf 1 januari volgend op de datum der akte die hem het recht toekent.

ARTIKEL 7

De belasting wordt uitgesteld in volgende gevallen:

  • wanneer de huidige belastingplichtige vrijgesteld is ingevolge de wetten en besluiten;
  • voor  de  terreinen  waarop het ingevolge een beslissing  van  de overheid  niet toegelaten of niet mogelijk is te bouwen, ter zake worden  de  aaneenpalende terreinen, die aan een zelfde  eigenaar toebehoren, als een geheel beschouwd.


Indien de basisreden van uitstel van heffing van de belasting in zijn geheel of gedeeltelijk, vervalt voor het verstrijken van de termijn van 30 jaar te rekenen vanaf de ontvangst der werken is de belasting alsnog verschuldigd vanaf de 1ste januari hieropvolgend.
Indien,  bij het verstrijken der 30 jaren, deze toestand nog geen einde genomen heeft, wordt het goed definitief vrijgesteld.

ARTIKEL 8

Wat  de vernieuwing van de voetpaden betreft is de belasting niet verschuldigd  door de eigenaar, die zijn voetpad heeft heraangelegd en waarvan de werken sinds minder dan 10 jaar werden aangevat.
De  aanvraag tot vrijstelling voor deze belasting moet  ingediend worden bij het gemeentebestuur en dit voor de aanvraag der werken.
De belanghebbende moet het bewijs leveren van de uitvoeringsdatum van  de  werken  waarvoor hij de vrijstelling van de  belasting  heeft aangevraagd.

ARTIKEL 9

De  bepalingen van de vroeger van kracht zijnde reglementen op de verhaalbelastingen blijven van kracht op de toestanden die tijdens hun heffingstermijn ontstonden.

ARTIKEL 10

Onderhavig reglement is toepasbaar op deze werken, die aangevat werden na het dienstjaar 2015.