Bestuur & Politiek

Vernieuwing van het belasting Reglement op de gebouwen bestemd voor kantoren

DE RAAD,
Gelet op de gemeentewet, meer bepaald het artikel 117, alinea 1 ;
Gelet op de Ordonnantie van 3 april 2014 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillen inzake gemeentebelastingen;
Gelet op titel VII, hoofdstukken 1, 3, 4, 6 tot en met 9bis van het Wetboek der Inkomstenbelastingen en artikelen 126 tot en met 175 van het uitvoeringsbesluit van dat Wetboek ;
Gezien het verslag aan het College van Burgemeester en Schepenen ;
BESLIST :
- Om het Belasting Reglement op de gebouwen bestemd voor kantoren te vernieuwen ;
Artikel 1
Er wordt, vanaf de 1ste januari 2019 tot 31 december 2025, een jaarlijkse belasting gevestigd op de gebouwen bestemd voor kantoren.
De bestemming kan voortvloeien uit een effectief gebruik van de gebouwen als kantoren van de gebouwen of, bij gebrek van dit gebruik, van de stedenbouwkundige vergunning.
De belasting heeft als basis de bruto bovengrondse vloeroppervlakte van de gebouwen.
Onder “bruto bovengrondse vloeroppervlakte” wordt verstaan, het totaal van de bedekte vloeren met uitsluiting van de lokalen die zich onder de grond bevinden en bestemd zijn voor het parkeren, als kelders, voor de technische uitrustingen en als opslagplaatsen. De afmetingen van de vloeren zijn gemeten tussen de buitenkanten van de muurgevels; de vloeren worden verondersteld doorlopend te zijn, zonder rekening te houden met een onderbreking door wanden, binnenmuren, kokers, trappenhuizen en liften.
Wordt geacht als effectief gebruikt als “kantoren”, het lokaal bestemd:
- ofwel voor beheers- of bestuurswerken van een industrieel-, commercieel- of landbouwbedrijf of een openbare dienst;
- ofwel voor de activiteit van een vrij beroep, van een ambt of een dienst of een winstgevende bezetting met uitsluiting van geneeskundige of paramedische beroepen ;
- ofwel voor de activiteiten van de bedrijven van intellectuele diensten, inbegrepen de activiteiten van productie van immateriële goederen zoals de conceptieactiviteiten en/of de productie van immateriële goederen die berusten op een intellectueel of een communicatieproces of gebonden aan de maatschappij van de kennis (productie van audiovisuele goederen, van software, opnamestudio’s, gespecialiseerde professionele vormingen, voorafgaande pers dienst, call centers,…) of behoren aan de technologieën inzake leefmilieu.
Artikel 2
De aanslagvoet is vastgesteld op ZESTIEN euro (16,00 €) per jaar per vierkante meter. De belasting wordt gevestigd op basis van de effectieve maanden van bestemming van het goed, waarbij iedere begonnen maand als volledig wordt aangerekend.
Wanneer de belastbare oppervlakte effectief is gebruikt voor kantoren en deze gedekt is door een stedenbouwkundige vergunning die de bestemming toelaat als kantoor, is de aanslagvoet verminderd tot negen euro (9,00 €) per vierkante meter en per jaar. Deze verminderde aanslagvoet wordt gevestigd op basis van de effectieve maanden van ingebruikname, waarbij iedere begonnen maand als volledig wordt aangerekend met de aanslagvoet van ZESTIEN euro (16,00 €) per vierkante meter naar evenredigheid van de beschouwde oppervlakte.
Artikel 3
De belasting is verschuldigd door de eigenaar van de gebouwen bestemd voor kantoren.
In geval van erfpacht of van opstal, is de belasting hoofdelijk verschuldigd door de opstalgever en respectievelijk door de erfpachter en de opstalhouder. In geval van vruchtgebruik, is de belasting hoofdelijk verschuldigd door de blote eigenaar en de vruchtgebruiker. In geval van huur, is de belasting hoofdelijk verschuldigd door de eigenaar en de huurder
Artikel 4
Zijn vrijgesteld van de belasting:
a) de eigenaars die het statuut hebben van publiekrechtelijke persoon of publiekrechtelijke organisme, op uitdrukkelijke voorwaarde dat ze zelf de kantooroppervlakten bezetten;
b) de onderwijsinstellingen die betoelaagd worden door de gemeenschappen voor de kantooroppervlakten die ze bezetten;
c) De eerste 75 vierkante meters van de kantooroppervlakte met uitzondering van het kantor die een woningseenheid afschaft.
Artikel 5
Het gemeentebestuur stuurt naar de belastingplichtige een aangifteformulier dat degelijk ingevuld en ondertekend moet teruggezonden worden, binnen de termijn van een maand ingaande op de datum van verzending.
De belastingplichtige die geen aangifteformulier ontving wordt verondersteld dit formulier bij het gemeentebestuur aan te vragen, ten laatste op de 15de januari die volgt op het betreffende dienstjaar.
De verklaring geldt tot herroeping. In geval van wijziging van de belastbare situatie dient spontaan een nieuwe aangifte te gebeuren door de belastingplichtige binnen een termijn van tien dagen in voege tredend op de dag van de wijziging.
Artikel 6
Bij gebrek aan aangifte binnen de gestelde termijn of ingeval van onjuiste, onvolledige of onnauwkeurige aangifte, zal de belastingplichtige van ambtswege belast worden op basis van de elementen waarover het gemeentebestuur kan beschikken. Bij gebrek aan aangifte of ingeval van onjuiste, onvolledige of onnauwkeurige aangifte, wordt de ambsthalve ingekohierde belasting  verhoogd met een bedrag ter hoogte van het bedrag van de ambsthalve ingekohierde belastingen en, in geval van herhaling binnen het jaar, met een bedrag ter hoogte van het dubbele van de ambsthalve ingekohierde belasting.