Bestuur & Politiek

Mondelinge vraag van mevrouw Stéphanie Paulissen (LB): Het statuut van medehuurder en de impact op het leefloon (LL)

In "Le Soir" van 8 april jongstleden stelde u de momenteel gebruikte methoden voor het identificeren van het statuut van een persoon op het moment dat hij door de dienst bevolking van de gemeente wordt ingeschreven op zijn hoofdverblijfplaats, opnieuw in vraag, en vroeg u aan de Conferentie van Burgemeesters om de netelige kwestie van de inschrijving in het rijksregister, door de gemeentediensten, van personen als alleenstaand en samenwonend, op de agenda te plaatsen.
Er dient te worden vastgesteld dat samenwonen een nieuwe leefwijze is, die in tal van situaties een financiële beperking vormt gezien de hoge huurprijzen, in het bijzonder in Brussel. Hoewel deze leefwijze onmiskenbare voordelen vertoont, kan ze ook een obstakel vormen voor de toegekende rechten. Je huurprijs delen, kan dus rampzalige gevolgen hebben voor het bedrag van de werkloosheidsuitkering en het pensioen, alsook voor het tarief van toepassing op het leefloon.
In de huidige staat van de sociale wetgeving en als gevolg van het besluit van het Hof van Cassatie van 22 januari 2018, moet onder "samenwonen" worden verstaan, het feit dat personen onder hetzelfde dak leven en hun huishoudelijke zaken hoofdzakelijk gemeenschappelijk regelen. De wettiging van dit verschil schuilt in het delen van de bemeubelings- en andere uitgaven in het kader van de samenwoning, wat het mogelijk maakt geld te besparen. Het is een nodige, maar niet voldoende voorwaarde dat de betreffende personen puur financieel voordeel halen uit dit samenleven. Er moet ook worden geanalyseerd in welke mate de huishoudelijke taken, de behandeling van het wasgoed, en de bereiding van de maaltijden al dan niet gemeenschappelijk worden verricht.
In de jongste versie van de instructies van de FOD Binnenlandse Zaken wordt nochtans vrij strikt gestipuleerd dat met het oog op een inschrijving in het bevolkingsregister als afzonderlijk gezin, dient te worden aangetoond dat er op het betreffende adres even veel keukens en badkamers bestaan als er personen hun hoofdverblijfplaats hebben. Het gaat om het essentiële criterium om uit te maken of er al dan niet een huishouden bestaat.
Welke zijn, gelet op deze instructies die niet in overeenstemming zijn met het voorschrift van het Hof van Cassatie, de geplande maatregelen ter afstemming op de Brusselse realiteit? Welk is in dit opzicht inmiddels het standpunt van het college?
Hoe interpreteren de gemeentediensten deze instructies momenteel, en op welke manier passen zij ze toe?
Hebt u feedback ontvangen van de andere burgemeesters? Maken hun reacties een consensus denkbaar?
Ik dank u voor uw antwoorden.
Stéphanie Paulissen
Gemeenteraadslid - LB
  • Antwoord van mevrouw Sophie de Vos - Waarnemend burgemeester
U hebt volledig gelijk: in de recentste omzendbrief van de FOD Binnenlandse Zaken wordt absoluut geen rekening gehouden met het besluit van het Hof van Cassatie van 22 januari 2018, waarin voor eens en voor altijd wordt gepreciseerd dat het, opdat er samenwoning zou zijn, niet volstaat onder hetzelfde dak te wonen, maar dat de lasten van het huishouden hoofdzakelijk moeten worden gedeeld.
Hoe kan een gemeente dat beheren volgens u?
Het is voor ons gewoonweg niet mogelijk om bij het onderzoek inzake hoofdverblijfplaats, aangaande een situatie die nog maar kort bestaat, te bepalen wie de lasten van het huishouden al dan niet hoofdzakelijk deelt, wie de boodschappen en de was doet, wie het eten klaarmaakt, ...
En het aantal keukens of badkamers tellen, zoals de FOD Binnenlandse Zaken wenst, verandert niets aan deze feitelijke toestand.
In Brussel vormt reeds een op de zeven appartementen het voorwerp van medehuur. Dit fenomeen zal onvermijdelijk crescendo gaan. De nieuwe manieren van samenwonen worden vaak onderbouwd door een maatschappelijke noodzaak of door solidariteit onder generaties (kangoeroewoning, tweegeneratiewoning, enzovoort). Ontelbaar zijn reeds de absurde gevallen van personen die om het te redden, voor medehuur hebben gekozen en zich beroofd voelen van een groot deel van hun middelen, vermits ze worden ingeschreven als samenwonend met mensen die ze niet eens kennen!
Onze rol bestaat in het verifiëren van:
  • De realiteit van de hoofdverblijfplaats,
  • De gezondheid van de woningen en de fatsoenlijke leefomstandigheden van onze burgers.
En niet in het "raden" wie samenwoont of alleenstaand is, vermits het - zoals hierboven uitgelegd - onmogelijk is bij een onderzoek naar de verblijfplaats uit te maken welke van deze 2 noties van toepassing is.
Het is aan de administraties die de steun verlenen, om de reële situatie van de huishoudens te verifiëren.
Dus, om te antwoorden op uw vraag en rekening houdend met het voortbestaan van de instructies vanwege de FOD Binnenlandse Zaken, ondanks de recente jurisprudentie (wat we interpreteren als een weigering om mee te gaan met zijn tijd en de wetgeving aan te passen aan de nieuwe manieren van samenwonen), hebben wij beslist om:
  1. inzake hoofdverblijfplaats beslissingen te nemen die de richtlijnen van de FOD Binnenlandse Zaken niet respecteren, maar in overeenstemming zijn met de jurisprudentie van het Hof van Cassatie
  2. een reglement aan te nemen waarin het door de politiediensten op te stellen verslag wordt vastgelegd dat geen vermelding bevat ter aanduiding van het van toepassing zijnde statuut - alleenstaand of samenwonend (dat behoort tot de verantwoordelijkheid van de gemeente).